52.
Hij wil haar dagen tot den kamp: hij vond,
Gelijk hij meent, een waardig weêrpartijder.
Zij zocht terwijl, den breeden stadsmuur rond,
Eene andre poort, en doolt al wijd en wijder.
Snel volgt hij haar, en reeds van ver' verkondt
Haar 't staalgeklank de komst van een bestrijder.
Zij keert zich om: ‘Sta! vreemde tochtgenoot,
Wat brengt gij?’ - En hij andwoordt: ‘“Krijg en dood!”’