64.
Zoo stuiptrekt de aard; zoo stijgt de nood ten top;
Zoo smachten daar die arme stervelingen!
't Geloovig volk geeft alle glorie op,
En wacht het ergste in angstig handenwringen.
De wanhoop groeit bij elken harteklop,
Daar kreet bij kreet in aller ooren dringen:
‘Wat hoopt Buljon? Wat toeft hij nog zoo lang?
Wacht dan heel 't kamp een redloze ondergang?