48.
Zoo sprekend, voert de grijzaard hen naar 't oord,
Waar hij in stilte en rust mag ademhalen.
't Gelijkt een grot, door zuil bij zuil geschoord,
En afgedeeld in hooge en breede zalen.
Wat rijkst en schoonst in de onderwaereld gloort,
Al 's aardrijks schat, spreidt hier zijn bonte stralen.
't Zijn werken, die penseel noch beitel schiep,
Maar die Gods woord uit niet in 't leven riep.