28.
O, 't is een grootsch, verbazend schouwtooneel,
Die heiren, die elkander tegen rukken,
Elk bataljon in slagorde, om zijn deel
Van 't bloedig loof der lauweren te plukken!
Wat pracht van veedren, vendels en fluweel,
Nu wapprend, straks verscheurd in duizend stukken!
Wat goud en staal, nu zonneglans gelijk,
Straks uitgedoofd, vertreden in het slijk!