33.
De laatste drom was dus voorbij geschreden,
Daar trekt Armide op eenmaal aller oog.
Fier komt zij op heur krijgskar aangereden,
Ten strijd gegord, gewapend met den boog.
Nog blinkt ze in al heur zoete aanvalligheden,
Schoon 't vuur der drift heur kaken overtoog.
Zij fronst en schijnt, vergramd en onverschrokken,
Te dreigen maar ook dreigend nog te lokken.