29.
Zóó Reinout, zóó de jongling ook, toen 't gloeien
Der wapenen hem bliksemde in het oog:
Hoe lang hij ook in weelderige boeien,
Door lust bedwelmd, den moeden schedel boog,
Die staalglans doet den ouden vuurstroom vloeien,
Die met zijn bloed hem eens door de aadren vloog;
En eer de ontroerde lippen zich bewegen,
Blinkt Ubouts diamanten schild hem tegen.