40.
Zoo luidde 't schrift. In sombre mijmerij
Bepeinst hij wat die lettren openbaren.
Daar waait een ijskoude adem hem voorbij,
En 't ritselt door de poppelende blaâren.
Een vreemd geruisch weêrklinkt aan alle zij',
Als 't fluisteren, een veege ziel ontvaren;
En bitterzoet beweegt zich in zijn hart
Een mengeling van deernis, vrees en smart.