74.
‘Waarom,’ zoo spreekt ze, ‘o Ridders zonder blaam!
Den moed verspild, die slechts voor mij zou blaken?
Gij zijt mijn kampioenen! Deze naam,
Uw eerenaam, moet elke twist doen staken.
Wie scheldt, scheldt mij: duldt dat uw blanke faam?
Noemt gij dat kiesch? Is dat voor de Onschuld waken?’
Zoo spreekt Armide, en buigt met goed geluk
Twee strijdige gemoedren onder 't juk.