36.
Zóó prikkelt, door heur vorstelijke praal,
Gebaarde en leest, Armida ziel en zinnen.
Geen hart, omringd van zevendubbeld staal,
Of 't wordt op eens gedrongen haar te minnen.
Weet zij, vergramd en door geen zonnestraal
Van vreugd omgloeid, zoovelen te overwinnen,
Wat moet het zijn wanneer dat voorhoofd lacht,
Dat mondtjen koost, dat oog van liefde smacht!