21.
‘Eens zat in Ethiopië, en ook heden
Zit mooglijk nog Senaap ten hoogen throon.
De Koning en zijn gitzwart volk beleden
De godsdienst van Mariaas Wonderzoon.
Ik-zelf, schoon Heiden, mocht een plaats bekleeden
Als dienaar in der Hofjonkvrouwen woon.
Daar wijdde ik trouw een Koningin mijn zorgen,
Bruin als de nacht maar vriendlijk als de morgen