19.
De Ridder had het sijfelen van slangen,
Het brullen van hyëen en leeuw verwacht:
En wat hij hoort, zijn lieflijke Elfenzangen,
En golfgekweel en filomeelenklacht.
Eerst toeft hij, van nieuwsgierigheid bevangen,
Dan gaat hij voort, maar aarzelende en zacht:
Geen hinderpaal ontmoet hij op zijn wegen -
Alleen houdt straks een klare stroom hem tegen.