2.
De kranken zijn verpleegd; het werk krimpt in.
De vlijt verslapt, en trager gaan de handen.
Al donkrer wordt de donkre hemeltin,
En zwijgend weeft de slaap zijn tooverbanden.
Klorinde-alleen, roemzuchtige Heldin,
Voelt in haar borst denzelfden ijver branden.
Daar alles rust, peinst zij op nieuwe daân;
En dus vangt ze in zich-zelv' half fluistrende aan: