71.
De Veldheer, schoon de pijnen hem doorschokken,
Blijft onbeweeglijk bij zijn lansschacht staan.
De Arts heeft de wijde mouwen opgetrokken,
De heup omgord, en vangt zijn arbeid aan:
Hij poogt vergeefs de pijlspits uit te lokken,
Nu eens door 't sap van vreemde balsemblaân,
Dan door den druk der vingren, of door 't nijpen
Van tangen, die in de open wonde grijpen.