60.
Zij werpt de lange haag der lansen neêr,
Weet 's vijands macht tot in het hart te schokken,
Vernietigt zijn geleedren, jaagt heel 't heir
Daarheen, gelijk de storm de wintervlokken.
Een vloer van lijken hobbelt meer en meer,
Met bloed gepleisterd en bezaaid met brokken
Van wapens en van leden. Ongestoord
Rent Reinout langs dat doodsplaveisel voort.