58.
Gelijk de wind op 't hemelhoog gebergt'
Of pijnboomwoud zijn woede los laat varen,
Maar straks in 't dal, waar niets zijn krachten vergt,
Zijn wieken reeft en ritselt door de blaâren;
Gelijk de zee de klip beukt, die haar tergt,
Maar, ongestoord, straks kabbelt met heur baren:
Zóó koelt de drift in Reinouts heldenhart,
Nu hij niet meer ten strijde wordt getart.