37.
Ik hoed het en bewaar het. Ik verzachtte
De tijgerin; ik dreef den stroom daarheen.
Rampzalig gij, zoo ge ooit een droom verachtte,
Dien God u zond!” Zoo sprak hij en verdween.
'k Ontwaakte en rees, en eer de morgen lachtte!
Toog ik van daar. Het beeld dat mij verscheen,
Dacht me ijdelheid, het Christendom een logen,
Ik doopte u niet; en - jaar op jaar vervlogen.