50.
Ik zal hem 't hart ontrukken! 'k zal zijn leên
Verscheuren tot een feestmaal voor de gieren! ...’
Maar Tissafern, door die verwaten reên
Geërgerd, voelt het zwellen van zijn spieren:
‘Wie zijt gij toch,’ zoo vraagt hij, ‘die alleen
Voor 's Konings oor en 't onze dus durft tieren?
Hier zijn er, die uw laffe zwetserij
Beschaamd doen staan, en echter zwijgen zij!’