5.
Elk rust zich toe, tot eindlijk vreugdedronken
De weêrkeer van den morgen wordt begroet.
Nooit had de lucht zoo spiegelrein geblonken,
Als heden bij den eersten zonnegloed.
De blonde Auroor wierp al heur tintelvonken
En stralen voor heur rozenrooden voet.
De hemel had zijn sluier saamgevouwen,
Om ongestoord het grootsch tooneel te aanschouwen.