13.
Zóó ziet de zee, als haar geen stormen zweepen,
Den kampstrijd aan, die met gelijken kans
Gevoerd wordt door twee ongelijke schepen:
Beweegloos ligt het grootste in trotschen glans,
Nu hier, dan daar door 't kleinere aangegrepen,
Dat ommevliegt in rustelozen dans,
Maar, al te dicht genaderd bij 't gevaarte,
Bedreigd wordt met verpletterende zwaarte.