14.
Noch Nubiën, noch Sahraas gloeiend zand,
Heeft ooit de zon zoo doodlijk voelen schijnen:
Hier in de stad ontschuilen wij den brand,
Bij springfontein en frissche loofgordijnen;
Maar 't Frankenvolk, verspreid in 't dorre land,
Zal, uitgeteerd, van gloed en dorst verkwijnen:
Zoo wordt het dan door 's Hemels grimmigheid
Vooruit reeds tot Egyptens prooi bereid!