15.
Hij bidt; en ziet! de laatste starren roeien
Door 't stroomend goud. De dag is opgegaan:
Zijn helm, zijn schild, de groene bergen, gloeien
Van 't licht, dat golft zoo ver zijne oogen gaan.
Hij voelt op eens een frisschen luchtstroom vloeien,
Een hemelvreê waait hem in 't koeltjen aan,
Dat, uit den schoot van 't morgenrood geboren,
Zijn voorhoofd kust en fluistert in zijne ooren.