32.
Fluks wordt de taak met ijver aangevat:
Hoog zijn ze met hun zending ingenomen.
Naar Askalon gaat regelrecht het pad;
Maar eer zij nog de rotsige oeverzoomen
Genaken, die de groote zee bespat,
Daar grimt een vloed, door felle regenstroomen
Gezwollen, hen met wilde golven aan;
En aarzlend blijft het edel Tweetal staan.