96.
Nu vangt op nieuw die achtbre grijzaard aan:
‘Ziet hoe de zon heur lichtthroon heeft bestegen!
Daar schemert reeds het eind der pelgrimsbaan!
De vlakte, 't kamp, de vesting, blinkt u tegen!
Ik voerde u hier langs onbekende paân,
Maar nergends rees een slagboom op uw wegen.
Gij hebt geen gids meer noodig voor uw schreên:
Ook roept mijn plicht mij ernstig elders heen!’ -