47.
En 'k lesch haar eens! Niet alle pijlen boren
Onnut in 't zand, het wit voorbij gespoed;
Soms wapent zelfs de Hemel in Zijn toren
Des wrekers hand met fellen bliksemgloed.
Maar wierp er één uit de eedlen, die mij hooren,
Dat schennig hoofd doorspleten aan mijn voet,
Ook dán nog zou 't genot der wraak mij streelen;
Al had ik ook de glorie willen deelen!