13.
Nu houdt hij stand voor de eerste en eêlste scharen,
Beklimt een hoogte in 't heuvelachtig oord,
En stort een gloed van geestdrift in elks aâren,
Op d' eersten klank van zijn ontzachlijk woord.
Nooit vloeide een stroom met opgezette baren
Zoo bruischend van de sneeuwige Alpen voort,
Als heden van des Veldheers gulden lippen,
Welluidend, vluggewiekt, de woorden glippen: