29.
Dit tweetal zal de ontdekkingsreis beproeven:
't Aanvaardt met lust den moeitevollen plicht.
Welf meent, dat zij geen lang beraad behoeven:
Waar Bohemont zijn zetel heeft gesticht,
Moet, naar 't gerucht, de jonge Reinout toeven;
Antiochiën-waards zij 't oog gericht!
Maar Peter, die hen 't dwaalpad op ziet treden,
Komt tusschen beide en valt hen in de reden: