41.
‘“Gij zijt in 's aardrijks schoot, die alle dingen
Hun wording geeft,”’ zoo vangt de grijzaard aan:
‘Heur ingewand zoudt gij niet binnendringen,
Ware ik als gids u niet vooruitgegaan.
Straks zijn we aan 't eind van onze kronkelingen,
Wanneer gij voor mijn prachtpaleis zult staan.
Ik, zonder God, een Heidensch mensch te voren,
Ik ben in 't heilig Doopbad weêrgeboren.