33.
Geen kleine schaar soldaten ijlt verschrokken
Naar 't Heiligdom, tot hunne ontfangst gereed,
Dat, vaak verbrand en steeds weêr opgetrokken,
Nog altijd naar den grooten stichter heet,
Naar Salomo, die 't eens uit marmerblokken
En cederen en goud verrijzen deed.
Thands, laten goud noch marmer zich bespeuren,
Maar steenen torens en metalen deuren.