66.
Hij gaat, maar voelt zijn zielevreê gestoord:
Hem sust geen slaap met donzig vleugelklappren.
Doch als op nieuw de blonde morgen gloort,
En al de duizend bonte vanen wappren,
Dan trekt hij met het vreemde leger voort,
En maakt het halt, dan rust hij met de dappren:
Of liever, neen! dan sluipt hij ongezocht
Rondsom, of hij 't geheim ontdekken mocht.