105.
Wie kent ze niet, die ordeloze droomen,
Die, waar de koorts hem bruischt door 't kranke bloed,
Des lijders zweet als vloeiend vuur doen stroomen,
Terwijl de waanzin in zijn hersens woedt?
Hij wil vooruit - de kracht is hem benomen,
Gekluisterd is zijn hand, geboeid zijn voet.
Hij wil zijn stem verheffen - 't is als smoorden
Démonen hem de keel: hij heeft geen woorden!