30.
‘Volgt gij zoo ras een onbetrouwbre maar',
Uit gissingen en mooglijkheên geboren,
Dan gaat gewis, o edel Ridderpaar!
Al de arbeid van uw langen weg verloren.
Naar Askalon! Daar, waar de blonde baar
Naar zee spoedt! Daar wordt u een gids beschoren,
Een vriend zal u ontmoeten. Leent hem 't oor,
Als sprak ik-zelf! Hij wijst u 't rechte spoor.