76.
Ver achter zich laat hij zijn tent, het kamp,
De vlakte! omringd, gevolgd door duizend helden.
Een stofwolk waait gelijk een neveldamp
Ten hemel op; de sidderende velden
Weêrgalmen van der rossen hoefgestamp.
Den Turken, wie geen vreezen ooit beknelden,
Rilt thands de schrik ijskoud door merg en been.
Daar dreunt een stem tot driemaal achteréén: