21.
De Ridder blikt rondsom met vorschende oogen,
Tot hij op eens een breede brug aanschouwt,
Die, onderschraagd door blanke marmerboogen,
Gegoten schijnt uit louter blinkend goud.
Hij snelt terstond, verbaasd en opgetogen,
Haar over, en bereikt den zoom van 't woud.
Hij wendt zich om: de brug zinkt in de golven -
Ze is plotseling en spoorloos overdolven.