105.
Hij spreekt; en 't volk juicht, klappende in de handen,
Die woorden toe, uit gloeiende erts gesmeed.
De aanstaande wraak, die aller hart doet branden,
Beteugelt reeds het tegenwoordig leed.
O hovaardij! hoe wordt ge straks te schanden!
De Hemel spot met uw onheilige' eed....
U is de dood van de eigen vuist beschoren,
Die gij alreeds verplet waant door uw toren!