46.
Zoo wordt de held, wien nood noch dood verwint,
Wien honderden van lansen niet doen beven,
Uit liefde zwak, door goochelspel verblind,
Door leege klanken op de vlucht gedreven.
Zijn zwaard terwijl wordt door een wervelwind
Op eenmaal als een stroohalm opgeheven.
Zoo deinst hij dan, ontwapend, huivrend, stom;
Eerst ver van 't woud vindt hij zijn zwaard weêrom.