83.
Gij ziet haar aan, en vloeit niet weg in stroomen
Van tranen - nu, zoo stroome dan mijn bloed!’ -
Zijn stem bezwijkt; zijn rede ontsnapt haar toomen:
't Verlangen naar den dood maakt hem verwoed.
Één ruk - daar zijn de windsels weggenomen,
En uit zijn wonden spat een purpervloed.
Hij duizelt, daar zijn zinnen hem begeven;
Maar juist de felle pijn behoudt hem 't leven.