57.
Zij ijlt - zóó snelt een jager door 't gebladert',
Het argloos wild bedreigend met den dood -
Den Ridder na. Hij is de Oront genaderd,
Waar 't eilandtje' oprijst uit der golven schoot.
Hij ziet aan 't strand een marmren zuil, dooraderd
Met krinklend goud. Daarneven ligt een boot.
Verbaasd, die pracht in de eenzaamheid te ontdekken,
Naakt hij den steen en leest in gulden trekken: