3.
‘O Solyman! O fiere Argant! hoe groenen
Uw kruinen van een versche lauweroegst!
Gij, die, alléén, bedreigd door legioenen,
Het oorlogstuig der Franken hebt verwoest!
Ik heb terwijl op Prinsen en Baroenen
(Armzalige eer, die 'k mij getroosten moest!)
En pijl of wat, niet zonder nut, versleten:
Slechts dit, niets meer, mag zich een vrouw vermeten!