20.
Nu rukt de macht der Arabieren aan,
Bewoners dier gelukkige valleien
En bergen, nooit met wintersneeuw belaân,
Maar overschaaûwd door groene palmenmeien,
Waar duizendduizenden van rozen staan,
En specerij en wierook geuren spreîen;
Waar eeuw aan eeuw - o lieflijk zinnebeeld! -
De feniks uit zijn lijkasch zich herteelt.