24.
Geef mij den neef, geef u den krijgsheld weêr,
Gehoorzaam aan uw heilige bevelen!
Hij zinke niet in laffe rust ter neêr:
De zon des Roems moge op zijn helmkam spelen!
Hij volge uw vaan, hij doe 't herlevend heir,
Bezielend in zijn moed, zijn lauwren deelen!
Hij strale in 't veld gelijk een bliksemflits,
En volge in u zijn meester en zijn gids!’