4.
Het golvend goud omkronkelt heur gelaat;
Heur voorhoofd is zachtmoedig en verheven;
Heur blik gelijkt een lentedageraad,
Zij-zelve, een Bode uit Edens reine dreven.
Nu hemelsblaauw, dan blozend inkarnaat,
Is 't of heur kleed uit kleuren is geweven,
Schakeeringen en tinten, gloed en licht,
Veel duizendmaal verandrend voor 't gezicht.