44.
‘Ziet!’ spreekt ze nu, ‘dat trotsche Praalgebouw,
Hoog op den top van gindschen berg verheven!
Daar slijt de Held, zijn Christenplicht ontrouw,
In weelde en lust de lente van zijn leven.
Gij beiden moet bij 't eerste morgengraauw
Langs dezen weg u naar den top begeven:
Hoe nutloos u misschien dit uitstel schijn',
Elk ander uur zou u noodlottig zijn!