23.
Daar klemt hij beî de forsche handen samen
Om 't strijdrapier en geeft een slag, zóó stout,
Dat Tankreds zwaard zijn vlugheid ziet beschamen,
Des vijands staal hem langs den schouder houwt
En neêrvaart langs zijn zijde, die van schramen
En striemen schrijnt, met brandend bloed bedaauwd.
Als Tankred nu niet siddert, is er smarte
Noch vrees, die ooit den weg vindt tot dat harte!