58.
De schildknaap komt en hoort glimlachende aan
Wat Godfried en zijn heer van hem begeeren:
‘Een waagstuk!’ roept hij blijde, ‘ik zal 't bestaan!
Mijn paard! Dat ik zal slagen, durf ik zweeren.
'k Zal spoedig in het kamp des vijands staan,
Waar niemant mij zal kennen, niets zal deeren!
Bij lichten dag zwerf ik door 't leger heen,
Tel man en paard, en noem ze u één voor één.