8.
Zij vliegt daarheen met ongewonen spoed,
Terwijl de wind het blanke zeil doet zwellen.
Een spoor van lillend schuim doorstreept den vloed,
En hobblend slaan zijn wilde waterwellen:
Zoo huppelt hij de wijde zee te moet',
Begeerig in heur moederarm te snellen.
Daar heeft hij haar bereikt! Hij stort zich neêr,
En stroomt hij nog, men ziet zijn loop niet meer.