9.
Zoodra zij nu het labyrinth ontkomen,
Daar bloeit en ruischt de wondre toovergaard.
Wat meiren van kristal! Wat zilvren stroomen!
Wat mengeling van bloemen en geblaârt,
Geheuvelten en grotten, dichte boomen
En diepe dalen, een verhemelde Aard!
En, wat te meer bewondring moet verwekken,
De Kunst, die alles vormde, is niet te ontdekken.