49.
Terwijl hij dus de schoone maagd hoort spreken,
Blikt haar Adrast met vurige oogen aan..
‘Neen!’ roept hij uit, ‘gij moogt u zelf niet wreken,
Die schoone hand niet aan den booswicht slaan!
Uw pijl mag in zijn schuldig hart niet steken:
De eer waar' te groot, den Christen aangedaan!
Ik zal voor u het doodlijk ijzer scherpen,
Ik, 't bloedig hoofd u voor de voeten werpen!