119.
En als hij nu zijn Jonkvrouw voort ziet ijlen,
Daar is het, als verdween de zon en 't licht.
Maar zonder één sekonde te verwijlen,
Geeft hij een slag, op Reinouts hoofd gericht.
Geen moker, die des Dondraars bliksempijlen
Op 't aanbeeld smeedt, valt neêr met meer gewicht.
De Ridder voelt den slag door 't brein rinkinken,
Die 't duizlend hoofd hem op de borst doet zinken!