56.
De ruimte schijnt een mateloos fornuis,
En biedt niets aan dat de oogen kan bekoren.
De Zefier ligt te slapen in zijn kluis,
Het koeltjen heeft zijn vleugelen verloren.
Alleen een dof, verstikkend windgezuis
Waait over uit het gloeiend zand der Mooren.
Zijn vurige aâm slaat borst en aangezicht
Met geesselen, en nijpt den gorgel dicht.