44.
Ormond terwijl, die 't gruwelijk verraad
Beproeven zal, dringt listig met de zijnen
In 't Christenheir, vermomd in 't krijgsgewaad,
Van Godfrieds wacht. Zoo gaan, bij 't maanlichtkwijnen,
Wanneer de mist zijn floers om de aarde slaat,
De wolven, die getrouwe honden schijnen,
De schaapskooi rond, den ruiggehairden staart
Verbergend, die hun boosheid openbaart.